Lukas Vischer, Geneve, 2001
Emeritus hoogleraar theologie aan de universiteit van Bern;
voormalig directeur van de afdeling Faith and Order van de Wereldraad van Kerken;
lid van de stuurgroep van het ECEN.
Het is duidelijk dat God de Schepper geen centrale plaats inneemt in het kerkelijk jaar. De grote feestdagen op de christelijke kalender richten zich op Gods 'grote daden' in Christus: kruisiging en opstanding, de uitstorting van de Heilige Geest en de menswording van Christus. In de loop van een jaar viert de christenheid kortom de fundamentele gebeurtenissen van de openbaring in Christus. Zij staat echter op geen enkel moment, op geen enkele dag stil bij God de Schepper. Het kerkelijk jaar concentreert zich vrijwel geheel op het tweede en derde deel van het christelijk Credo. Kan deze situatie gezien de ecologische crisis wel zo blijven? Is het geen tijd de inrichting van het kerkelijk jaar opnieuw te doordenken?
Zeker, het geloof in 'God, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde' wordt bij alle feestdagen als een vanzelfsprekendheid aangenomen. Hoe zouden Driekoningen of zondag Trinitatis gevierd kunnen worden zonder ook God als Schepper te gedenken? Maar het is de vraag of dat voldoende is.
Met het oog op de kritiek dat de joods-christelijke traditie wezenlijk heeft bijgedragen aan de huidige verwoestende omgang met de natuur, gaan er steeds meer stemmen op het kerkelijk jaar aan te passen. Want ook al kan aangetoond worden dat deze kritiek op een vooringenomen interpretatie van bijbelse teksten berust, dan geeft toch de afwezigheid van God de Schepper in de rij van de christelijke feestdagen te denken. Als het juist is dat in eerste instantie niet de kerkleer maar de kerkdienst het bewustzijn van de gelovigen vormt, dan moet het geloof in de Schepper van hemel en aarde meer nadruk krijgen. De volledige inhoud van het Credo behoort in de eredienst tot uitdrukking te komen.
1. Gods openbaring in de geschiedenis
De christelijke feesten zijn verankerd in de wisseling van de seizoenen. Ieder jaar wordt de cyclus afgesloten en begint hij opnieuw. Tot op zekere hoogte heeft het kerkelijk jaar het ritme van de natuur als kader. Maar de feesten hebben niet het ritme van de natuur tot inhoud. Ze herinneren aan de gebeurtenissen die met Gods openbaring in Christus verbonden zijn. In de jaarcyclus gaat het om de historische omwenteling die Jezus heeft veroorzaakt.
Deze tendens van natuur naar geschiedenis kan men al in Israël (in het Oude Testament) waarnemen. Israëls grote feesten waren oorspronkelijk verankerd in de cyclus van de natuur. Pesach is afkomstig uit de nomadentijd; het was een lentefeest, waarop de eerst geboren lammetjes geofferd werden.
Drie andere feesten stammen uit de Kanaänitische contekst; ze hadden een agriculturele achtergrond:
a) het Matsot-feest, d.w.z. het feest der ongezuurde broden, werd gevierd ter gelegenheid van de gerstenoogst;
b) het feest van de tarweoogst, Sjawoeot, werd (en wordt) zeven weken na Matsot gevierd en werd daarom ook het Wekenfeest genoemd; en
c) het Loofhuttenfeest, Soekkot, was het feest van de wijn- en fruit-oogst - dit kon ook simpelweg het feest genoemd worden.
Vooral in de gebruiken kan men de oorspronkelijke betekenis van deze feesten nog goed onderkennen. Op Matsot werd de eerste schoof gewijd, gerst was het brood van de armen. En op het Wekenfeest werden de eerste (tarwe-) broden aangeboden. De rol die takken spelen op het Loofhuttenfeest gaat terug op een in wijngaarden en in boomgaarden gevierd oogstfeest.
Maar al die feesten kregen in Israël een nieuwe betekenis. Pesach werd de herdenking van de uittocht uit Egypte. Voor Matsot en Soekkot geldt dat eveneens. Het gebruik van Matsot werd nu zó verklaard, dat de Israëlieten - door de Egyptenaren genoopt tot een haastige aftocht - geen tijd hadden het anders elke morgen klaargemaakte brooddeeg te laten rijzen en het dus tijdens hun eerste rustpauze wel moesten bakken tot ongezuurde broden (Ex 12:34,39). Het Loofhuttenfeest moet volgens het gebod van JHWH met het oog daarop gevierd worden, dat “jullie nakomelingen aan den lijve ervaren dat ik de Israëlieten in hutten heb laten wonen, toen ik ze uit het land Egypte uitleidde, ik, de Heer, jullie God” (Lev. 23:39-43). Het Wekenfeest werd pas in later tijd begrepen als feest ter herinnering aan de openbaring van de Wet op de berg Sinai.
Dat betekende overigens niet dat Israël zodoende de band met de schepping was kwijtgeraakt. Fundamenteel voor het bewustzijn van Israël was de zich alle zeven dagen herhalende viering van de sabbat. Wat ook de achtergrond van deze rustdag geweest moge zijn, hij werd in de loop van de geschiedenis van Israël in verband gebracht met Gods scheppingswerk.“Want in zes dagen heeft de HERE hemel en aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die” (Ex 20:11). De sabbat was een rustdag voor mens en vee, maar tegelijk ook voor de aarde. De extrapolatie van het sabbat-ritme op sabbatjaren en jubeljaren maakt dat extra duidelijk. In het zevende jaar had het land recht volledige rust; er mocht niet gezaaid noch geoogst worden (Lev 25:4). Maar ook de feesten die in het licht van de historische ervaring nieuw geduid werden, verloren hun verankering in de cyclus der natuur niet helemaal. Hoe zouden eerstelingsgaven hebben kunnen worden aangeboden zonder de Schepper te gedenken?
De historische duiding van de overgeleverde feesten werd in de christelijke kerk voortgezet. Van nu af aan was de opstanding van Christus de alles bepalende gebeurtenis. In de christelijke gemeenten werd het gewoonte op de avond van de eerste dag van de week - d.w.z. op de dag van de opstanding van Christus - samen te komen voor het feestelijk breken van het brood. Langzamerhand werd deze opstandingsdag (de dag des Heren, de Zon-dag) belangrijker dan de traditie van de sabbat. Voor de christenheid verschoof de sabbat van de zaterdag naar de zondag. Maar daarmee veranderde ook de betekenis ervan. De centrale inhoud van de dag was nu de viering van Christus’ overwinning op de dood. De gemeente kwam samen om met woord, gebed en maaltijd de tegenwoordigheid van de Heer te vieren en uit te zien naar zijn wederkomst. De relatie met de schepping kwam op de achtergrond. Wel was in de maaltijd des Heren ook een potentiële verwijzing naar de schepping gegeven. Brood en wijn konden verstaan worden als gaven Gods. Maar de voornaamste betekenis van het gemeenschappelijke maal was toch de gemeenschap met de gekruisigde en opgestane Christus en de verwachting van de nieuwe schepping.
De Joodse feesten werden deels niet meer gevierd of door christelijke feesten vervangen. De daarin nog aanwezige relatie met de schepping ging op die manier verloren.
2. De geleidelijke groei van het kerkelijk jaar
Het kerkelijk jaar zoals wij dat nu kennen is de uitkomst van een lange en gecompliceerde ontwikkeling; het is niet in één keer ontstaan. Daarom is het ook niet in elk opzicht harmonisch, want het weerspiegelt voorstellingen en gezichtspunten van diverse tijdperken. “Verschillende tijdvlakken en tijdkringen, schatplichtig aan concurrerende kalenders en de cycli daarvan, lopen door elkaar heen en resulteren in een hoogst gecompliceerd geheel van data, rituelen, feesten en feesttijden – een warrig-artistiek gelaagd architectonisch bouwsel”. Het uiteengaan van kerken heeft bovendien geleid tot uiteenlopende vormen van het kerkelijk jaar. Iedere confessionele traditie heeft haar eigenaardigheden. Om te beginnen gaan Oost en West gescheiden wegen, maar ook de splitsing als gevolg van de reformatie van de 16de eeuw brengt haar bijzonderheden met zich mee. Over de orde van het kerkelijk jaar zijn de verschillende confessies het derhalve niet zo snel met elkaar eens.
Verschillende tijdkringen bepalen de grondvorm van het liturgisch gebouw. De eerste tijdkring is de reeks zondagen. Evenals voor Israël is ook voor de kerken de week (eenheid van zeven dagen) maatgevend, fundamenteel voor het kerkelijk jaar.
In de tweede plaats moet de Paaskring genoemd worden. Pasen, het feest van de opstanding, was het eerste christelijke feest dat jaarlijks gevierd werd. Uitgaande van Pasen ontwikkelden zich in de loop van de tijd andere feesten: vóór Pasen de Vastentijd en Palmzondag met de Stille Week (Lijdensweek), vooral Goede Vrijdag; ná Pasen de Paastijd met Hemelvaartsdag en Pinksteren, rond het jaar 1000 afgerond met de viering van Trinitatis. Pasen wordt gevierd op de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente. De datum varieert daarom en ook de data van de met Pasen samenhangende andere feesten.
De derde tijdkring, de kersttijd, wordt door twee feesten bepaald: het geboortefeest van Christus en, op 6 januari, Epifanie. In tegenstelling tot Pasen werd aan Kerstmis een vaste datum in de kalender van het zonnejaar toegewezen. Kerstmis valt dus niet elk jaar op een zondag. Daar de Kerstkring en de Paaskring niet op dezelfde wijze ‘berekend’ worden is de afstand tussen de ene en de andere elk jaar anders. Het aantal zondagen tussen Epifanie en het begin van de Vastentijd varieert. Zo ook het aantal zondagen tussen Pinksteren (Trinitatis) en het begin van Advent. Verspreid over het jaar zijn er dan in het kerkelijk jaar nog andere feesten. Sommige zijn enigszins verbonden met de grote tijdkringen, andere, zoals het feest van de Transfiguratie op 6 augustus, staan er los van. Dan zijn er nog gedenkdagen, zoals Hervormingsdag en Nieuwjaarsdag: een burgerlijke datum.
De vierde tijdkring wordt gevormd door de heiligendagen. Al vroeg vestigde zich het gebruik ‘de wolk van getuigen’ op bepaalde dagen van het jaar te gedenken. De heiligenlijsten zijn niet in alle kerken hetzelfde. Ze zijn verschillend in Oost en West. In de kerken van de reformatie verloor deze kalender in verregaande mate zijn betekenis als gevolg van de verwerping van de heiligenverering. De ‘heiligendagen’ werden gedenkdagen zonder meer of raakten gewoon in vergetelheid.
3. Een zich wijzigende liturgische orde
De genoemde tijdkringen maken weliswaar stevig deel uit van het kerkelijk leven, maar toch is het kerkelijk jaar niet een definitief vastgestelde ordening. Aan het gebouw wordt altijd gebouwd. Iedere eeuw verandert er wel iets aan. Feesten die in een bepaalde periode vanzelfsprekend waren, geraken op de achtergrond, andere worden ingevoegd. Uitwassen die zich hebben kunnen ontwikkelen worden door radicale veranderingen weer opgeruimd, het radicaalst in de reformatietijd. Mildere veranderingen, zoals die van Vaticanum II, treden corrigerend op en pogen de liturgische ordening transparanter te maken.
De poging iets nieuws in het kerkelijk jaar in te voeren, een ‘tijd’ die in het bijzonder de lof van Schepper en schepping beoogt is daarom legitiem. Waarom zou de kerk er gezien de ecologische crisis niet op uit (kunnen) zijn haar belijdenis van God de Schepper ook in haar liturgisch leven duidelijker tot uitdrukking te brengen? Afzonderlijke kerken hebben al stappen in die richting gezet. In talrijke kerken bestaat – vooral in landelijke gebieden – de traditie van dankdag voor het gewas. Hier en daar worden tegenwoordig pogingen gedaan deze traditie nieuw leven in te blazen. In de rooms-katholieke kerk speelt de dag van de heilige Franciscus van Assissi in toenemende mate een rol. In steeds wijdere kring wordt de behoefte gevoeld Gods schepping en de bewaring ervan uitdrukkelijk tot thema te maken in de kerkdienst.
4. Het voorstel van de oecumenisch patriarch
Het voorstel van de oecumenisch patriarch de eerste september te vieren als dankdag voor de grote gave van de schepping en als biddag voor de bewaring en de bevrijding ervan, is van grote betekenis. Wat is de achtergrond van de keuze van deze datum?
Voor de Orthodoxe kerken is 1 september het begin van het kerkelijk jaar. Dat heeft een lange voorgeschiedenis en gaat terug op de tijdrekening in het Byzantijnse keizerrijk. Die tijdrekening kwam tot stand op grond van indicties. Indicties zijn perioden van een bepaald aantal jaren. Ze zijn ook belangrijk voor de datering van officiële documenten. Dit dateringssysteem werd ingevoerd in het jaar 297/298 onder keizer Diocletianus. Keizer Justinianus I stelde het verplicht (462/463).
Aanvankelijk begon het jaar op 23 september, later – sedert de tweede helft van de vijfde eeuw – op 1 september. De omvang van een indictie bedroeg aanvankelijk vijf, later vijftien jaar. Ook de kerk volgde die tijdrekening. Het begin van elk jaar en van elke indictie werd feestelijk gevierd. In Constantinopel werd het jaar door de patriarch aangekondigd. Na de viering van de liturgie in de Hagia Sofia vergaderden de patriarch en de leden van de heilige synode in een grote hal. Na gebeden en liturgische hymnen benoemde de patriarch het nieuwe jaar en deelde hij een algehele absolutie uit. Hij bevestigde dan door zijn handtekening onder het officiële document dat het nieuwe jaar begonnen was.
Deze traditie verloor met het einde van het Byzantijnse rijk haar praktische betekenis. Maar de kerk hield de datum aan. Tot op de huidige dag wordt in de Orthodoxe kerken 1 september als het begin van het jaar gevierd. Maar een diepere betekenis voor het kerkelijk leven heeft deze feestdag niet. De structuur van het jaar wordt niet bepaald door 1 september. Het feest behoort tot de relicten van niet meer functionerende kalenders. De oecumenisch patriarch gaat dan ook in zijn bericht nauwelijks in op de traditionele betekenis van de dag; hij beperkt zich ertoe die betekenis simpelweg te vermelden.
Het voorstel van de patriarch moet daarom verstaan worden als een poging een feest dat zijn betekenis in hoge mate verloren heeft nieuwe inhoud te geven. Het kerkelijk jaar moet beginnen met bezinning op God de Schepper, het geschenk van zijn schepping en onze verantwoordelijkheid tegenover hem en tegenover onze medeschepselen.
5. Mogelijke initiatieven
Hoe kan de lofzegging van de Schepper in de eredienst versterkt worden? Welke initiatieven zijn mogelijk in het kader van het kerkelijk jaar?
Het belangrijkst is ongetwijfeld de zondag. Ten onrechte is de relatie tussen sabbat/zondag en schepping op de achtergrond geraakt. Ongetwijfeld wordt de centrale inhoud van de zondag gevormd door de opstanding van Christus en de overwinning op de dood.
De zondag is in zekere zin een Paasfeest in het klein. Maar het is niet nodig om deze nieuwe inhoud te begrijpen als tegengesteld aan de in het Oude Testament overgeleverde betekenis van de sabbat als rustdag naar analogie van Gods zeven-dagen-scheppingsarbeid. Of: Deze nieuwe betekenis is bepaald niet in tegenspraak met de betekenis van de sabbat in het OT, waar de sabbat de rustdag is naar analogie van Gods uitrusten op de zevende dag van de schepping.
Gods nieuwe wereld is de vervulling van de schepping. Als schepselen Gods prijzen wij de Schepper, die deze wereld in het leven geroepen heeft en houdt; die zich om zijn schepselen bekommert en hun op het juiste moment voedsel geeft; die een eind maakt aan de dood en Zijn rijk laat aanbreken. De zondag herinnert ons aan onze verantwoordelijkheid tegenover onze medemensen en tegenover alle medeschepselen. Die dag stelt grenzen aan blinde activiteit en laat ons een stapje achteruit doen om onszelf tegenover God en zijn schepping te hervinden en opnieuw te ontdekken. Of: om ons te realiseren wat onze plaats in de schepping is. De zondag is als zodanig een kritiek op de menselijke zelfontplooiing, voorzover die de toegang tot Gods nieuwe wereld belemmert.
Maar kan er in het kerkelijk jaar niet ook ruimte zijn voor bijzondere dagen gewijd aan de schepping of, misschien nog beter, een periode waarin in het bijzonder aandacht gegeven wordt aan God als Schepper? Is het niet zinvol de eerste september, de dankdag voor het gewas of de vierde oktober als zo’n bijzondere dag te vieren? We moeten echter wel oppassen voor een devaluatie-effect. In de laatste decennia zijn nogal wat nieuwe zondagen, herinnerend aan morele verplichtingen, in het kerkelijk rooster geïntroduceerd – vluchtelingenzondag, invalidenzondag, mensenrechtenzondag enzovoort. Er heeft zich als het ware een tweede kerkelijk jaar ontwikkeld: een ethisch georiënteerd kerkelijk jaar. Moet er een zondag voor ecologische verantwoordelijkheid bijkomen?
In de wereld worden verschillende “milieudagen” gevierd.
a. Op 21 maart en 22 april wordt dikwijls Aardedag gevierd, een dag die samenvalt met de aanvang van de lente en vaak ook min of meer met Pasen;
b. Wereldmilieudag van de Verenigde Naties is op 5 juni; de eerste VN-milieudag in 1972.
Nader beschouwd gaat het bij het voorstel voor een scheppingsdag om méér dan nog een bijzondere zondag. Het gaat erom een fundamenteel deel van de christelijke belijdenis duidelijker tot uitdrukking te brengen en te laten zien dat – om met de Tweede Europese Oecumenische Assemblee te spreken – “het engagement voor het behoud van de schepping niet zomaar een aandachts- en arbeidsveld is naast zoveel andere, maar een essentiële dimensie van het kerkelijk leven.
Zo gezien is het beter niet een dag maar een periode te wijden aan de schepping. Die zou op de eerste september of de zondag erna kunnen beginnen en doorlopen tot en met de vierde oktober of de zondag daarna. Op die manier worden bijzondere dagen uit uiteenlopende tradities tot een geheel gemaakt: in deze periode valt in vele delen van de wereld het oogstfeest. Zo’n scheppingsperiode zou zich ongedwongen invoegen in het bestaande kerkelijk jaar. Voordat de herdenking van de grote heilsfeiten – van de geboorte van Jezus tot en met de uitstorting van de Heilige Geest – begint, zouden we herinnerd worden aan de God die de bron van alle leven is. En na de reeks van de grote daden van God komen we weer bij de God die alle tijden omspant.
Een moeilijkheid zou daarin gelegen kunnen zijn dat deze tijd in het noordelijk halfrond en in het zuidelijk halfrond in verschillende jaargetijden valt. Als het in Europa oogsttijd is, breekt in Argentinië, in Zuid-Afrika en in Australië het voorjaar aan. Maar is het gedenken van de Schepper afhankelijk van jaargetijden? Dat kan evengoed aanknopen bij het ‘vergaan’ als bij het ‘worden’ van de natuur.
Zoals het Kerstfeest niet gebonden is aan de winter en het Paasfeest niet aan het voorjaar, zo is ook de lofzegging van de Schepper niet gebonden aan een bepaald seizoen. Er zullen alleen andere aspecten benadrukt moeten worden.
6. Alpha en Omega
Scheppingstijd in het kerkelijk jaar! Zo zou – terecht – het geloof in God de Schepper organisch verbonden worden met het geheel van het Credo. Spreken over ecologische verantwoordelijkheid geeft snel de indruk dat het om iets nieuws en dan ook nog over iets politieks zou gaan. Vele christenen begrijpen (nog) niet dat het daarin om een imperatief, een gebod van het christelijk geloof gaat. De huidige wijze waarop met de gaven van de schepping wordt omgegaan is zoveel als een loochening van God. Deze verantwoordelijkheid kan niet worden losgezien van het geheel van het geloof.
De viering van de schepping in het kerkelijk jaar betekent tevens een verdieping van het inzicht in Kerstfeest, Pasen en Pinksteren. De structuur van het Credo keert terug in het kerkelijk jaar. God, de Schepper van hemel en van aarde, is de vooronderstelling en de achtergrond van alles wat daarna komt. Door de menswording gaat God ín in deze schepping; door de opstanding laat hij nieuw leven ontstaan; hij stort de gave van de Geest uit over mensen en over de hele schepping. De viering van de schepping maakt een verdiept verstaan van de Triniteit – Vader, Zoon en Heilige Geest – mogelijk.
De viering van de schepping - de scheppingstijd - is tegelijk begin en einde van het kerkelijk jaar. De bezinning op de Schepper brengt ons bij Gods nieuwe schepping. Gods schepping is tenslotte los van de voleinding in Christus niet te begrijpen. Boven de horizon van deze schepping licht van meet af het Godsrijk op. De viering van de schepping geldt zowel oorsprong als voleinding – alpha en omega.
Maar bovenal herinnert de viering van de schepping ons er aan dat wij schepselen onder schepselen zijn. Zij brengt ons ertoe erover na te denken hoe onze omgang met Gods gaven geweest is en hoe zij zou moeten zijn. Zij brengt de kerk ertoe een nieuwe, meer verantwoordelijke manier van leven aan te wennen. In de boodschap van de oecumenisch patriarch wordt met grote nadruk gesteld:
“We must attempt to return to a proper relationship with the Creator and the creation. This may well mean that just as a shepherd will in times of greatest hazard, lay down his life for his flock, so human beings may need to forgo part of their wants and needs in order that the survival of the natural world can be assured.
This is a new situation – a new challenge. It calls for humanity to bear some of the pain of creation as well as to enjoy and celebrate it. It calls first and formost for repentance – but of an order not previously understood by many.”
Als de viering van de schepping als onderdeel van het kerkelijk jaar bijdraagt tot deze omkeer, heeft zij haar taak vervuld.