« terug

VIEREN Exegese Genesis 1 • Gerd Kelling


Derde dag

Genesis 1 · vers 9 - 13

De aarde als plaats om te leven: makom/mokum.
Het Hebreeuwse woordje èrèts betekent zowel land als aarde. Anders gezegd: als je over je land denkt, moet daarin de hele aarde mee-klinken. En als het over de aarde gaat, dan dient dat zo vertrouwd en eigen te klinken als jouw eigen land.
Denk aan die eerste letter van ’t eerste boek v.d. bijbel, de ב (beth = huis): dak boven ’t hoofd, steun in de rug, grond onder de voeten en de toekomst open. God schiep... heelal?... kosmos?... hemel en aarde. Daar waar wij onder en op wonen. Het Nieuwtestamentische woord voor beth is: oikos, waaraan is ontleend zowel ecologie als economie als ecumene. En die hebben waarachtig alles met elkaar te maken.

Zeven maal wordt in Genesis 1 gesproken over ‘naar zijn/hun aard’. In de nieuwe Bijbelvertaling (NBV) helaas wèg-”vertaald”, platgeslagen tot ‘allerlei’. Naar zijn aard, dan gaat het ook over de biodiversiteit en de intrinsieke waarde van elke soort, ook van diegene die (door ons) met uitsterven wordt bedreigd. Maar ook: wij léven van het groeiende groen als voedsel, of als zuurstofproducent, of als geneesmiddel, of als heilzame omgeving, biotoop van ontelbare wezens, altijd als medeschepping. Waarmee vrijmoedig maar met respect dient te worden omgegaan (zie ook vers 29,30).
Of dat ook gebeurt bij de monopolies van bedrijven die octrooi hebben op genetisch materiaal van planten, dieren en zelfs van mensen, met de sociale gevolgen van dien elders in de wereld? Om maar iets te noemen…