« terug

VIEREN Exegese Genesis 1 • Gerd Kelling


Zesde dag

Genesis 1 · vers 24 - 31

Dier en mens op dezelfde dag: aan elkaar verwant.
Dat vraagt om respect voor het dier als mede-schepsel. Albert Schweizer is zeer actueel. En Sint Franciscus, die elk medeschepsel broer en zuster noemde. Het dier kan niet zomaar ‘product’ zijn, of ‘materiaal’. Hun intrinsieke waarde, en dierenrechten dienen een stevige plaats te krijgen in het bewustzijn en de gewetens van economen, bedrijfvoerders, politici en vooral: elke burger.
Zie hoe ‘humaan’ de dieren in de bijbel behandeld moeten worden: in het sabbatgebod wordt ook het vee betrokken (zie ondermeer Exodus 20 vers10): ook het dier heeft recht op rust; men is volgens de wet verplicht een onder zijn last bezweken ezel te helpen op de been te komen, ook die van je vijand (zie ondermeer Exodus 23 vers 5); het is verboden om een dorsende os te muilbanden, hij moet het graan dat hij dorst mogen eten (Deuteronomium 25 vers 4).
“...God zei: Laten wij...” Velen hebben een verklaring gezocht voor dat meervoud. Is het pluralis majestatis, Koninklijk meervoud? Rasjie, een beroemde Joodse commentator denkt dat God tegen de engelen sprak... ; sommige christenen menen er de Drievuldigheid in te bespeuren...; ik vermoed (gezien het vervolg) dat hiermee wordt aangegeven dat God in zichzelf een communicatief wezen is, en dus communicatie zoekt.

De mens. Wat zijn plaats betreft: tweeërlei.
Enerzijds gerelativeerd: gewoon schepsel onder de schepsels, de láátste in het rijtje, maar wel in het rijtje. Maar dat is, anderzijds, wel een speciale plaats: de mens ‘staat voor’ de hele schepping, vertegenwoordigt die bij God.
De verzen 26 en 27 in NBV zijn in mijn ogen helaas niet goed vertaald. Niet ‘mensen’, maar mens (enkelvoud! 3x), collectivum: mensdom, mensheid. Man en vrouw: ’t Gaat hier niet alleen om ’t verschil der sexen (dat komt in Genesis 2 expliciet aan de orde), maar om de polariteit: wat aan onderscheid van nature bestaat, is geschapen tot éénheid. Mens: éénheid in verscheidenheid, en dus gebouwd op communicatie.
Want let op: alle planten en dieren zijn geschapen “volgens hun aard” , leminéhem (7 maal domweg wègvertaald). Bij de mens zou je dat dus ook verwachten, maar in plaats daarvan staat: “naar Gods beeld”, betsalmo (3x). (Afwijking van herhaling is een sterke stijlfiguur!). ‘Be’ is ‘naar’ of ‘in’, er zit dus ook de notie van richting in. Dus naar zijn beeld is niet gelijk Gods beeld, maar veeleer: gericht op Zijn image, Zijn visage, Zijn persoon. Dus: om in communicatie te treden met Hem; aangesproken om te antwoorden, aansprakelijk en verantwoordelijk. Dus niet vertalen: “die ons evenbeeld zijn” en ”als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God”!!
Het wezenlijke van de mens zit ’m dus niet in zijn aard (zoiets heeft de mens met alle dieren gemeen, als laatste in het rijtje, 3x omgeven door ‘God schiep’, schepsel bij uitstek), maar in de positie en de relatie waarin hij/zij gesteld wordt. Het wezenlijk speciale van de mens is dus niet zijn natuur, maar zijn roeping, zeg uitverkiezing.

In dat licht moeten we lezen dat woord over onderwerpen en heersen over de aarde. Radah is heersen, zoals een herder zijn kudde (één van de eerste grondbetekenissen van het woord!). De mens zal dat doen in relatie met HEM, beantwoordend aan Hem. Dan kan heersen betekenen beheren. En dàn is er iets van God aan hem/haar herkenbaar: “als zijn gelijkenis”, (kidmoeto 1x).

Let ook op de versen 29 en 30: het nemen van leven, vergieten van bloed om van te eten wordt niet genoemd. Ook niet verboden, maar er is in dit verband gewoon geen sprake van. Hier liggen de oudste papieren van het vegetarisme.
(Pas na het verhaal van de zondvloed komt het mogelijke eten van vlees aan de orde. En in verband daarmee komen er dan ook spijswetten, wat ‘rein’ (kosjer) is en wat ‘onrein’: wat wel en wat niet gegeten mag worden. Ook daar moet de mens van grenzen weten).

Het zo prominente woord ‘tov’ goed, dat 7x klinkt, confronteert ons heel direct met het bittere raadsel van de goede schepping. Immers, voor ons heeft die schepping zoals ze nu is iets heel dubbels.
Een prachtige zonsondergang aan de zee kan ons diep roeren; maar als je je dan realiseert wat daaronder in het water allemaal gebeurt aan vreten en gevreten worden, dan wordt het ons toch wel heel moeilijk om simpel te denken dat we God zomaar kunnen leren kennen of ontmoeten in de natuur... En de apostel Paulus spreekt over de hele schepping die als in barensweeën zucht en lijdt (Romeinen 8 vers 22).
Het woord ‘goed’ bevat in elk geval een duidelijke profetische critiek op zowel de idee dat God ook het kwaad zou hebben geschapen; als het dualistisch geloof dat er eigenlijk twee eeuwige krachten zijn: goed en kwaad, die altijd in een onbesliste strijd gewikkeld zijn (waarbij de gnostiek dan nog beweerde dat de fysieke wereld bij het kwaad hoort). De Bijbel speculeert niet over de oorsprong van het kwaad, ze constateert dat het er is. En dat omgaan met deze werkelijkheid ook te maken heeft met verantwoordelijkheid.

Klein excursietje:
Als we uit Genesis 1 en Genesis 2 bij elkaar lezen wat als verantwoordelijkheid van de mens t.a.v. de schepping Gods genoemd wordt, dan zien we het volgende: heers, bebouw, bewaar en ken/benoem. Maar dan wel vóór alles in relatie/communicatie met God de Schepper.
Dan betekent dat: beheer (hebr. radah), bedien (hebr. abad = dienen; vgl. het latijnse colo, waarvan zowel ‘cultuur’ als ‘cultus’ stamt) en behoed (sjamar: (be-)hoeden, waken over). Dat alles onder het voorteken van namen geven / kennis als relatie en als wetenschap.
Als wij uit die communicatie stappen, “uit het beeld van God vallen”, dan perverteert alles. Heersen wordt overweldigen, bebouwen wordt verkrachten (op een andere manier alles er uit halen wat er in zit), en bewaren wordt bezitten. En dat alles met gebruikmaking van de wetenschap (Goethe noemt haar in dat geval ‘die Hure Vernunft’, het verstand dat zich prostitueert aan de meest biedende). Een aardig gelijkende schets van veel in onze neoliberale economisch-technische cultuur ...